Vraag & Antwoord

In het Huis van de Arts

Misselijk. Ik val bijna flauw, zoals ik al eerder flauwgevallen ben. Ik bel mijn broer, mijn huisarts, en een kwartier later zitten we in de wachtkamer. Ik zit voorover gebogen, de hand van mijn broer op mijn rug. Hij kan niets doen, behalve troosten. Elke paar minuten vraagt hij of het goed gaat. Ja, zeg ik, beter. Maar eigenlijk word ik slapper. Ik houd me sterk en sluit mijn ogen. Om de wereld buiten te sluiten.

Misselijk. Ik val bijna flauw, zoals ik al eerder flauwgevallen ben. Ik bel mijn broer, mijn huisarts, en een kwartier later zitten we in de wachtkamer. Ik zit voorover gebogen, de hand van mijn broer op mijn rug. Hij kan niets doen, behalve troosten. Elke paar minuten vraagt hij of het goed gaat. Ja, zeg ik, beter. Maar eigenlijk word ik slapper. Ik houd me sterk en sluit mijn ogen. Om de wereld buiten te sluiten.

Geroezemoes. De wachtkamer is druk, opeens. Ik open mijn ogen en tel dertien mannen. In het midden zit een man met een baard. Hij draagt een versleten en lang gewaad. Sandalen eronder, geen sokken. Hij leest in een Boek. Ik til mijn hoofd op om te kunnen zien welk boek hij leest. Hij prikt regelmatig met zijn vinger in het Boek en spreekt in een taal die ik niet versta. Links en rechts van hem luisteren de mannen aandachtig. Zij knikken en volgen weer zijn vinger.

Dan kijkt de man mij aan. Hij glimlacht en ik weet mij even geen raad maar ik blijf hem aankijken en ik forceer ook een glimlach. Terwijl ik weer een bemoedigende klop op mijn rug voel antwoord ik mijn broer: het gaat beter. De man in het gewaad begrijpt dat het niet beter met mij gaat. Ik buig mijn hoofd en adem onrustig in en uit.

Ik sluit weer de ogen en hoor opeens de radio in de wachtkamer. Deze is afgestemd op een nieuwszender. Er is nog geen witte rook in Rome, zegt een vrouwenstem. De nieuwe paus laat nog op zich wachten. Ik, moslim, heb geen paus om te volgen. Ik ken wel geestelijke leiders, maar zij hebben voor mij meer de rol van gids. Wat zou ik graag nu met een van hen willen spreken. Ik wil geen paracetamol.

Een ferme steek in mijn maag. Ik buig dieper voorover en bijt op mijn lippen. Als ik mijn ogen weer open is de wachtkamer leeg. Ik sta er niet bij stil, hoe dat zo kan. Iedereen is weg, op een persoon na. Een tengere, kale jongeman zit rustig te lezen in een Boek. Hij draagt ruime kleding. Een van zijn schouders is ontbloot. Ook hij heeft een Boek in handen maar hij beweegt zijn vinger van boven naar beneden. Hij kijkt op en staart mij vriendelijk aan. Geen woord, geen vraag, alleen een zalvende glimlach. Ik vraag hem wie hij is. Hij zegt dat hij een weg is, een leidsman, en dat hij zou willen dat ik wat steviger rechtop ging zitten.

Als vanzelf ga ik rechtop zitten en vind vastigheid achter mijn rug. Mijn ademhaling wordt rustiger en ik vraag mij af waar mijn broer is. Ik hoor zijn stem in de verte. Alsof hij roepende is. Ik sta op en volg onvast de bekende route naar de praktijkkamer van de huisarts. De deur staat op een kier.

Nadat ik de deur open zwaai kijk ik uit op een massale zee van mensen die zich allemaal in een cirkel bewegen rond een groot zwart en kubusvormig bouwwerk. De stroom mensen is indrukwekkend en zij trekt aan mij als een magneet. Ik grijp de deurkruk stevig vast, alsof ik wil voorkomen om meegezogen te worden. Mijn broer zie ik niet, mijn huisarts zie ik niet. Ik zie devotie, vreugde, lijden, verlangen. Ik val op mijn knieën en de tranen komen. Ik huil zoals ik nog nooit eerder gehuild heb. Geen ratio, geen verstand, alleen een nooit eerder meegemaakte innerlijke ontlading. Oer-emotie.

In de verte zie ik drie mensen stilstaan. Zij staan in het middelpunt van de mensenstroom, naast het kubusvormige bouwwerk. Ik herken de man met de baard in het gewaad. Ik herken naast hem de kale, tengere jongeman met de blote schouder. En ik zie een man in een groen gewaad, met een staf en hoofdbedekking. Ik zie niet zijn gezicht maar kijk op zijn rug. Dit middelpunt is kosmisch, onmiskenbaar.

De deur van de huisarts slaat met een ferme klap dicht. Ik schrik wakker en zoek naar oriëntatie. Maar dan, een vertrouwd kloppen op mijn rug. Mijn broer. Of het gaat? Ja, zeg ik, het gaat beter. Geloof me.

Laat een bericht achter